Je gebruikt de kettingregel als er een functie in een functie zit. Eerst de buitenkant, daarna vermenigvuldig je met de afgeleide van de binnenkant.
f is de functie die je differentieert. g is de buitenste functie, h de binnenste.
f(x)=g(h(x))f′(x)=g′(h(x))⋅h′(x)
Stappenplan
0Kijk naar de buitenste schil. Zit er een functie in een functie, bijvoorbeeld een macht om haakjes of een wortel om iets met x? Dan is het de kettingregel.
1Noem de hele functie f, de buitenste functie g en de binnenste h. Schrijf f(x)=g(h(x)).
2Bereken g′(h(x)) en h′(x). In de afgeleide van de buitenkant laat je h(x) staan.
3Vermenigvuldig: f′(x)=g′(h(x))⋅h′(x). Werk dat uit tot een net antwoord.
Drie voorbeelden
f(x)=(2x−5)4
Stap 0. De buitenste schil is een vierde macht. Daarin staat 2x−5. Dat is de kettingregel.
Stap 1. h(x)=2x−5 en g is tot de macht 4, dus f(x)=(h(x))4.
Stap 2. g′(h(x))=4(2x−5)3 en h′(x)=2.
Stap 3. f′(x)=4(2x−5)3⋅2=8(2x−5)3.
Antwoord: f′(x)=8(2x−5)3
f(x)=(x2−3x)5
Stap 0. De buitenste schil is een vijfde macht. Daarin staat x2−3x. Dat is de kettingregel.
Stap 1. h(x)=x2−3x en g is tot de macht 5.
Stap 2. g′(h(x))=5(x2−3x)4 en h′(x)=2x−3.
Stap 3. f′(x)=5(x2−3x)4⋅(2x−3).
Antwoord: f′(x)=5(x2−3x)4(2x−3)
f(x)=5x−2
Stap 0. De buitenste schil is een wortel. Daarin staat 5x−2. Dat is de kettingregel. De wortel bestaat als 5x−2≥0, de afgeleide als 5x−2>0.
Stap 1. Schrijf de wortel als macht: f(x)=(5x−2)1/2. Dus h(x)=5x−2 en g is tot de macht 21.